Gerard van den Akker

Gerard van den Akker

 

Nu Waterloper voor de vierde keer wordt georganiseerd, mag ik mij voor de vierde keer introduceren. Want ja, ik ben weer van de partij. Nu zal ik voor velen geen onbekende zijn, maar aangezien er elk jaar weer een hoop nieuwe schrijvers meedoen, is het toch van belang dat ik mij weer fatsoenlijk voorstel. Dus laten we er goed voor gaan zitten, wat te drinken erbij pakken – misschien zelfs een borrelhapje – en beginnen met het voorstelrondje.

Hallo, mijn naam is Gerard en ik ben jurylid voor Waterloper.

 

Echt, dit klinkt als of ik in een praatgroepje zit voor de Anonieme Alcoholisten, of net nieuw in een klasje voor welke studie of training dan ook zit. En ik kan niet opnieuw beginnen, want zo werken introducties niet. Ik ben dus bang dat we het ermee moeten doen.

Nu zegt een naam niet zo heel veel. Ja, je weet dan hoe je me moet aanspreken wanneer we elkaar tijdens de uitreiking zien, maar dat beantwoordt niet de vraag waarom ik op deze stoel zit. Want je zult mijn naam niet in de boekwinkel, waar je vast en zeker weer eens binnen bent gelopen, hebben gezien. Ik heb geen oeuvre zoals van Pratchett die een hele wand in beslag neemt. Geen trilogie of epische serie die prominent aanwezig is. Geen bestseller die midden in de winkel op een tafel ligt te pronken. Zelfs geen klein boekje dat ergens in het verdomhoekje ligt te verstoffen, al jaren geleden verramsjt en vergeten door de verkoper zelf. Ook kom je mijn naam niet tegen als medewerker bij een grote uitgeverij, of misschien zelfs een kleine: ik zit niet door tientallen manuscripten te ploeteren op zoek naar dat ene juweeltje dat de bestsellertafel van onze vriend de boekverkoper zal sieren. Ook ben ik geen vertaler die de meest fantastische boeken uit de meest exotische taalgebieden eindelijk voor jou en mij beschikbaar maakt. Ik ben dan misschien een verteller, maar geen vertaler.

 

Wie ben ik dan, als ik geen literaire grootheid (in spé) ben? Waarom heeft Roos mij nu voor de vierde keer gevraagd om op deze stoel plaats te nemen? Kort gezegd: omdat ik een puist ervaring met jureren heb. Ze noemt me dan ook niets voor niets de nestor van Waterloper. Maar ik hoor je nu denken (ik heb héle goede oren, de gehoortoestellengigant heeft me nog geen apparaat kunnen slijten): er zijn toch nog maar vier edities van Waterloper, en er zijn diverse andere juryleden, zoals Steven Wekdam, die ook bij allemaal aanwezig zijn geweest? Wat maakt mij dan zo bijzonder dat juist ik nestor genoemd word? Komt dat doordat mijn baard langzaam maar zeker wit wordt (nog eventjes en ik kan voor Sinterklaas spelen)?

Nee. Het komt doordat ik eigenlijk best wel een flink lange tijd meedraai. Voor Waterloper ben ik namelijk bij alle negen de edities van Fantastels, de spirituele voorganger van deze wedstrijd, jurylid geweest. Ook heb ik af en toe heb ik ook bij een andere wedstrijd gejureerd. Ik heb kortom als jurylid een puist ervaring om u tegen te zeggen (maar je mag gewoon ‘je’ blijven zeggen). Dat leidt natuurlijk tot de vraag waarom ik überhaupt ooit als jurylid was gevraagd. Iemand moet ooit het briljante idee hebben gehad om mij uit de klei te trekken en in de jury te zetten. Als ik geen bekende schrijver, uitgever of vertaler ben, wie ben ik dan wél?

 

In een grijs verleden, ergens in het vorige millennium (dat klinkt lekker lang geleden), ben ik zelf begonnen met het schrijven van korte verhalen. Heel veel korte verhalen. In het begin zó slecht dat als ik ze nu terug zou lezen, ik spontaan in een zoutpilaar zou veranderen. Desondanks werd ik aangemoedigd om door te gaan, en ben ik zelfs gaan insturen naar diverse schrijfwedstrijden die rond de millenniumwisseling her en der oppopten. Het resultaat zal je dan ook niet verbazen: steevast sierde ik de onderkant van de ranglijsten. Je wilt niet weten hoe vaak ik laatste werd. Maar doordat ik zo vaak mee heb gedaan, kreeg ik wel ervaring, en werd ik langzaam maar zeker toch ietsje beter. En wonder boven wonder begon ik ook wel eens wedstrijden te winnen. Ik weet dus hoe teleurstellend het kan zijn om onderaan te eindigen, maar ook hoe geweldig het is om als winnaar uit de bus te komen. En om je verhaal gepubliceerd te zien: diverse van mijn verhalen zijn zowel in binnen- als buitenland in verschillende tijdschriften en zelfs bundels terechtgekomen.

Maar dit is niet alles. Langzaam maar zeker zette ik ook stappen in een hele andere richting. Na mijn studie sterrenkunde (sciencefiction wordt eerlijk gezegd nóg gaver wanneer je een beetje een idee hebt waar je over praat) ben ik de master redacteur/editor gaan doen. Ik liep stage bij uitgeverij Mynx (inmiddels is hij opgegaan in de Boekerij, maar dit was toentertijd een van de grotere fantasyuitgeverijen, die onder andere ook Pratchett in het Nederlands uitgaf), ben een tijd eindredacteur voor een online magazine geweest en heb een tijdje als freelance redacteur gewerkt. Dát is wat ik oorspronkelijk naar de tafel bracht: een heel diverse ervaring met alle kanten van het schrijven van het verhaal, het insturen voor wedstrijden, het beoordelen van manuscripten, het redigeren van boeken … kortom, ik heb zowat alle kanten van het vak wel meegemaakt. Maar inmiddels is denk ik mijn belangrijkste wapenfeit dat ik al bijna anderhalf decennium gevraagd word om te jureren. Mag ik mezelf professioneel jurylid noemen? Hm … nee, het is m’n beroep niet, maar toch, ik denk dat ik inmiddels wel een aardig woordje mee mag praten.

 

Nu je hopelijk wel het idee hebt dat ik niet zomaar uit mijn nek … praat … (laten we het hier netjes houden) en hopelijk wel iets zinnigs te zeggen heb, snap ik dat je je ook afvraagt hoe ik nou eigenlijk naar je verhaal ga kijken. Waar let ik op? Wat moet je doen om in mijn goede boekje terecht te komen? Hoe moet je je verhaal schrijven zodat ik het de hemel in prijs? Moet je met geweldige dialogen aan komen zetten, ingewikkelde plots construeren waarbij zelfs een mummie de draad kwijt zou raken, het juist de simpelheid zelve houden of misschien met een parodie op vooral mijn schrijfstijl aan komen zetten?

Nee. Doe dit niet. Probeer niet je verhaal zo te schrijven dat je denkt dat ik of een van de andere juryleden het geweldig vindt. Schrijf gewoon het beste verhaal dat jíj kunt schrijven. Iedere schrijver heeft zijn eigen schrijfstijl, en zijn eigen sterke en zwakke kanten. Maak daarvan gebruik, en laat uit jouw verhaal blijken wat jij leuk vindt, waar jij goed in bent. Dit straalt echt wel door naar je verhaal. Ik probeer daarom bij een verhaal op alles te letten, en me in mijn kritiek op wat ik denk dat de sterke en zwakke punten van dat verhaal zijn te richten. Mag er nog wat aan je dialogen gesleuteld worden? Reken erop dat ik daar wel een woordje met je over wil wisselen. Zijn je personages houterig? Laten we daarover gaan bomen. Is je wereld niet geloofwaardig? Geloof het maar dat ik daarop terug zal komen. Ik zal dus proberen de zwakke punten in je verhaal te vinden, en die in mijn commentaar naar voren te halen. Hoewel ik op alles let, ga ik dus niet álles benoemen. Als ik dus denk dat je tempo kant nog wal raakt, dan ga ik in mijn rapport liever veel aandacht besteden aan hoe ik denk dat je dat weer op de rails krijgt in plaats van het alleen te benoemen, samen met nog tien andere minpunten. Het is mijn doel om jou verder te helpen, om ervoor te zorgen dat je straks de wedstrijd gaat winnen. En ben jij deze wedstrijd degene die met de prijs naar huis mag lopen, die zo’n goed verhaal hebt geschreven dat ik met mijn mond vol tanden sta en er wel een hele sexy mier bij moet halen om er überhaupt iets over te zeggen? Dan mag je je voorbereiden om een stroom van complimenten waar je u tegen mag zeggen te ontvangen.

We hebben bij Waterloper drie jureerrondes, waarbij de top steeds doorgaat naar de volgende ronde. Wat ik in de loop van de jaren heb gemerkt, is dat er bij veel van de verhalen die in deze eerste ronde stranden, toch wel wat schort op taalgebied. Dus als je toch iets wilt doen om mijn leven als jurylid gemakkelijker te maken en hopelijk je kansen op een hogere plaats in de rangorde te vergroten, gebruik dan de spellingscontrole. Ondanks dat hij niet alles eruit haalt, kun je hier toch wel een aantal overduidelijke ticvauten mee voorkomen. Leer verder ook de spellingsregels. Natuurlijk staan die in het groene boekje, maar online heb je ook een hoop hulpmiddelen, zoals op de site van Onze Taal. En laat je verhaal proeflezen. Niet door je moeder, partner of konijn (hoewel je een uitzondering kunt maken voor een hele sexy mier), maar door iemand die niet direct alles fantastisch vindt en je durft te zeggen dat je opening nergens op slaat, het thema ver te zoeken is en je zinstructuur zo’n brei is dat daar zelfs geen foute kersttrui van gebreid kan worden. Kortom, een goede proeflezer.

Wat ik met dit alles wil zeggen, is dat je gewoon je best moet doen om het beste verhaal neer te zetten, en dat ik zal proberen te kijken naar wat er in dat verhaal eventueel nog beter kan. Want elk verhaal is uniek. Ik kijk er nu al naar uit om te zien wat je ervan gaat brouwen. En hopelijk proosten we straks bij de uitreiking op het beste resultaat waar je op kunt hopen. Veel succes!