Gerard van den Akker

Gerard van den Akker

Wie vorig jaar al heeft meegedaan, of eerder een verhaal naar Fantastels heeft ingestuurd, zal mijn naam waarschijnlijk wel herkennen. Ik jureer inmiddels al zo’n aardige tijd dat Roos mij vorig jaar de nestor van de jury noemde, en dat ik denk dat ik voor toch wel aardig wat mensen geen introductie meer nodig zal hebben. Toch is het wel belangrijk dat ik er een geef, want je zult altijd zien dat wanneer ik mij niet voorstel, juist jij je afvraagt wie ik nou eigenlijk ben en waarom ik nu eigenlijk iets over jouw verhaal, jouw kindje, zou mogen zeggen. En het is niet netjes om je niet voor te stellen. Ook dat.

Wanneer je een boekenwinkel binnenloopt zal je tevergeefs naar boeken van mij zoeken. Geen grote trilogieën of epische series. Geen oeuvre dat een hele wand in beslag neemt. Geen bestseller die al drie jaar de tafel middenin het pand siert. Zelfs geen klein boekje dat ergens in het verdomhoekje ligt te verstoffen, al jaren geleden verramsjt en vergeten door de verkoper zelf. Als ik dan niet zo’n bekende auteur ben dat ik de posters in elk bushokje moet mijden om te voorkomen dat ik in mijn eigen ogen kijk, waarom zou ik dan iets over jouw werk mogen zeggen? En dat elk jaar weer? Ben ik dan misschien een grote uitgever? Een vertaler die een bekende reeks naar het Nederlandstalige publiek heeft gebracht? Of iemand die veel reviews schrijft, een bekende blogger of een recensent wiens stempel je in elke boekenrubriek tegenkomt? Nee, ik ben geen van dat alles. De strepen die ik heb verdiend, en de reden waarom Roos mij de nestor van de jury noemt, zitten hem in het feit dat ik al hele lang jurylid ben voor wedstrijden in het Fantastische genre.

Na het noemen van zo’n lijstje van wat ik allemaal niet heb gedaan, is het misschien wel goed om te kijken naar wat ik nu eigenlijk wel heb uitgespookt. Want ooit, in een grijs verleden, werd ik voor de eerste keer gevraagd om te jureren. Ik moet toch iets hebben gedaan om die vraag te rechtvaardigen?

Lang geleden, in het vorige millennium, begon ook ik met het schrijven. Korte verhalen. Heel veel korte verhalen. In diezelfde eeuw begon ik ook mee te doen met diverse schrijfwedstrijden. De ene wedstrijd was nog niet afgelopen of er lag alweer een verhaal van mijn hand bij de volgende te wachten om genadeloos afgeslacht te worden. Want hoewel ik verhaal na verhaal schreef, werd elk zonder pardon laatste. Tot ik op een gegeven moment niet meer onderaan stond. Sterker nog, ik eindigde hoger en hoger. En na veel pogingen lukte het mij eindelijk om een wedstrijd te winnen. En nog een. En daar kwam er weer een op mijn naam te staan. Diverse schrijfwedstrijden heb ik gewonnen, of een hoge notering bij gehaald. Dat bracht een volgend balletje aan het rollen: publicaties.

Het meedoen aan diverse schrijfwedstrijden is leuk, maar eigenlijk wil je niet dat je verhaal daarna in een lade verdwijnt om daarna vijftien jaar vergeten te worden (dat doet me eraan denken dat ik die lade van me eens moet uitspitten … ik ben volgens mij vergeten wat ik daar allemaal ingestopt heb). Je wilt dat andere mensen het lezen: je wilt het publiceren. Ook dat heb ik voor elkaar weten te boksen. In diverse magazines die in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw de ronde deden, in binnen- en buitenland, heb ik een verhaal van mij weten te publiceren. En niet alleen daar: er zijn ook verhalen van mij in bundels opgenomen. Sommige van die bundels zal je niet meer kunnen vinden omdat ik de voorraad van de uitgever heb opgekocht, maar misschien dat je er stiekem toch nog een bent tegengekomen.

Als je dit zo leest, snap je denk ik wel beter waarom ik ooit voor de eerste keer gevraagd ben om te jureren. Ik heb zelf aardig wat ervaring met schrijfwedstrijden. Ik ken de klappen van de zweep, ik weet hoe spannend het is om je kindje af te geven en te moeten wachten op een oordeel. Hoe frustrerend het kan zijn om te horen dat je helemaal onderaan bent geëindigd, hoe geweldig en onwerkelijk het is om te zien dat jij degene bent die met de hoofdprijs naar huis mag lopen. Meer dan honderd verhalen heb ik geschreven. Ik heb veel jurycommentaar gehad. Maar wacht, dit is nog niet alles. Want commentaar krijgen is een ding. Het geven is toch wel iets anders.

Laten we teruggaan naar mijn wilde studiejaren. Nouja, wild … Zo wild waren die eerlijk gezegd ook weer niet. Wel lang. Want lang geleden kon dat nog (ik ben niet voor niets nestor). Wat van belang is, is dat ik op een gegeven moment van mijn studie sterrenkunde overstapte naar de master redacteur/editor. Dit is een speciale master die je opleidt om redacteur in het boekenvak te worden. Je leert de fijne kneepjes van het vak, loopt stage, en belandt bij een uitgeverij, of gaat aan de slag als freelancer. Nu hoor ik je al denken: van sterrenkunde naar redactie is nogal een verschil. Kan dat zomaar? En laat ik je zeggen: nee, dat gaat niet zomaar. Nu kan ik wel gaan opschrijven hoe ik een paar dagen voor de aanmelddeadline rondfietste om referenties te verzamelen, hoe ik bij het intakegesprek met twee zwaarden binnenstormde en hoe er tijdens de taaltoets diverse dames in bikini aan het dansen waren (allemaal echt gebeurd!), maar ik denk dat als je dat echt wilt weten, je me tijdens de uitreiking van Waterloper beter even kunt aanspreken. Wat volstaat is dat ik dwars door de strenge selectie kwam en deze studie wist af te ronden. Ik liep zelfs stage bij Mynx, voormalige uitgeverij van Fantastische boeken, en heb na mijn studie nog een tijd gewerkt als freelance redacteur. Het is dus niet alleen maar zo dat ik weet hoe ik een verhaal moet schrijven en commentaar daarop moet incasseren, maar ook hoe ik het moet geven. Dat is een andere reden dat ik toch wel het jureervak ingerold ben.

Inmiddels heb ik wel aardig wat gejureerd. Het is niet voor niets dat Roos mij nestor noemde. Ik noemde al Fantastels: gedurende alle negen de jaren dat die wedstrijd liep, heb ik meegelopen als jurylid. En ook kwam ik bij de Santoriaanse Opdracht en Trek Sagae om de hoek kijken. Maar nu Waterloper. Voor de tweede keer mag ik weer aanschuiven en hopelijk jouw verhaal onder de loep nemen. Ik kan me nu zo voorstellen dat je na dit alles nog een prangende vraag over hebt: waar let ik eigenlijk op?

Elk verhaal is uniek. Maar wat maakt een verhaal uniek? Wat valt er op? Wat springt eruit, in zowel positieve als negatieve zin? Wat maakt jouw verhaal in mijn ogen geweldig, of waar moet je eigenlijk meer aandacht aan besteden? Wat moet je doen om je verhaal naar een hoger platform te tillen? Of staat hij al hoog op die ivoren toren naar beneden te turen, en kan ik alleen maar met bewondering naar jouw machtige bouwwerk kijken? Wat ik probeer, is in elk verhaal te zoeken naar datgene dat mij opvalt en dat uit te lichten. Daar lever ik dan commentaar op. Zo kan het zijn dat ik bij jou je prijs om de wereld die je hebt geschapen, maar je om de oren sla omdat je alleen maar houterige dialogen weet op te pennen, terwijl een andere deelnemer van mij krijgt te horen dat de plot van zijn verhaal nergens op slaat, maar dat de zinnen die hij schrijft zo knap zijn dat er engelen met trompetten in mijn oren tetteren bij elk woord dat ik van zijn hand lees. Wat ik kortom wil, is dat je een zo goed mogelijk verhaal schrijft. Een verhaal dat echt van jou komt. Een verhaal waar jij trots op bent. Jouw kindje. Dan zal ik op zoek gaan naar net die ene zere plek, en proberen je een pleister te geven zodat je de volgende keer zelfs nog beter kunt worden dan dat je nu al bent.

Het zal me benieuwen wat voor een verhalen ik dit jaar onder ogen krijg. Vorig jaar werd ik heel erg positief verrast door hoe er met de thema’s omgegaan werd, dus ik kijk uit naar wat je mij dit jaar voor zult schotelen. Ik ben er klaar voor. Jij ook?