Reddingsbrigade: Gerard van den Akker

De vorige edities droeg ik mijn steentje bij als jurylid, maar dit jaar doe ik het iets rustiger aan door plaats te nemen in de reddingsbrigade. Dat betekent dat ik eigenlijk pas in actie kom als een van de juryleden om wat voor reden dan ook niet verder kan: ik zal dan zijn of haar deel van verhalen voor mijn rekening nemen.

Als alles helemaal goed gaat, hoef ik dus geen verhalen te beoordelen. Maar zoals ik zelf vorig jaar merkte, kan er echt van alles gebeuren, en is het gewoon heel fijn als er ondersteuning is. Dat gezegd hebbend: wie ben ik eigenlijk, en waar ga ik op letten als de nood aan de man is? Nu kennen de oude rotten onder de deelnemers mij wel, maar elk jaar zijn er ook weer nieuwe deelnemers die mij voor het eerst tegenkomen. Voor iedereen die mijn nog niet kent, of even een opfrisser nodig heeft, is er hier deze introductie.

Als kind werd mijn liefde voor fantasy en sciencefiction al vroeg aangewakkerd door mijn ouders. De boeken die zij lazen, verslond ik ook. Aangezien ik toch wel een bèta ben, was het dan ook niet verwonderlijk dat ik, eenmaal van de middelbare school, sterrenkunde ging studeren. Maar naast het lezen, was ik ook van kleins af aan altijd wel bezig met het vertellen van verhalen. Toen ik dus op de universiteit opgeslokt werd door een zwart gat aan formules, werkte ik daarnaast aan mijn vertelkunst door vele korte verhalen te schrijven. En mee te doen met wedstrijden. In het begin werd ik keer op keer laatste, tot ik genoeg had geoefend en ook daadwerkelijk wedstrijden begon te winnen. Er zijn zelfs diverse verhalen van me in binnen- en buitenland gepubliceerd. Ik dook meer en meer in het schrijven van korte verhalen: ik deed mee aan workshops, zat bij schrijfgroepjes, ging naar meetings en hing rond op diverse online fora.

Op een fantasyforum dat in het begin van dit millennium in ons Nederlandstalige hoekje van het internet aanwezig was, werd een paar keer een schrijfwedstrijd georganiseerd waarbij alle deelnemers tevens jurylid waren. Dit beviel mij eigenlijk zo goed, dat ik daar iets meer mee wilde doen. Dat werd de studie ‘redacteur/editor’, aan de Universiteit van Amsterdam: hiermee werd ik opgeleid tot redacteur bij een uitgeverij, iets wat ik tijdens en na mijn studie een tijdje heb gedaan. Rond deze tijd zag de schrijfwedstrijd ‘Fantastels’, de spirituele voorganger van Waterloper, het licht, en werd ik vanwege al het voorgaande dat ik had gedaan gevraagd als jurylid. Deze wedstrijd bestond negen jaar lang, en alle edities was ik van de partij. Dus toen Fantastels ophield en Roos aan Waterloper begon, zei ik gelijk ja op de vraag of ik ook hier wilde jureren. En dat beviel zo goed, dat ik daar zeven jaar lang actief plaats nam in de jury. Dit jaar neem ik na ruim zestien jaar een klein stapje terug door me aan te sluiten bij de reddingsbrigade, maar dat betekent dus niet dat ik helemaal weg ben.

Het kan gebeuren dat ik word ingezet. Waar ga ik dan op letten? Welke pijnpunten leg ik onder de loep, waar moet je extra aandacht aan besteden om in mijn goede boekje terecht te komen? Daar kan ik een ding op zeggen: schrijf niet voor de juryleden, maar schrijf gewoon het allerbeste verhaal dat jij kunt schrijven. De juryleden zijn allemaal verschillend, en ieder heeft andere ideeën. Ik ben slechts een van de raderen in de klok die de wedstrijd draaiende houdt, en je kunt ons niet allemaal tevreden houden. Wat de een fantastisch vindt, daar kan de ander nauwelijks doorheen komen. In mijn eigen ervaring wordt een verhaal er meestal niet beter op als je probeert iedereen tevreden te houden. Je kunt in mijn ogen dus veel beter een verhaal schrijven dat jouw ideeën, stijl en handtekening bevat: maak het verhaal echt jouw kindje. En wees dan zo dapper om het voor ons hongerige wolven te werpen.

                Dit is dan allemaal goed en wel, maar waar gá ik dan op letten, wanneer je dan eindelijk jouw verhaal hebt ingestuurd? Het korte antwoord is: alles. Elk verhaal heeft zijn eigen sterke en zwakke punten, en elke schrijver heeft zijn eigenaardigheden. Maak van dat alles gebruik, en laat uit jouw verhaal blijken wat jij leuk vindt, waar jij goed in bent. Wanneer je schrijft waar jij enthousiast van wordt, dan blijkt dat echt wel uit je verhaal. Daar staat dan weer tegenover dat je eigen zwakke punten ook naar voren komen. En dat is waar ik mij op wil richten. Mag er nog wat aan je dialogen gesleuteld worden? Reken erop dat ik daar wel een woordje met je over wil wisselen. Zijn je personages houterig? Laten we daarover gaan bomen. Is je wereld niet geloofwaardig? Geloof het maar dat ik daarop terug zal komen. Maar hoewel ik een hoop zie, wil ik mij in het rapport vooral richten op die paar punten waarvan ik denk dat die je verhaal het meest zullen verbeteren. Ik heb in de loop van de jaren gemerkt dat als je téveel verschillende punten in je rapport benoemd krijgt, je door de bomen het bos niet meer kan zien. Dus ik richt me liever op een paar zaken en diep die uit in plaats van een waslijst aan mankementen te geven.

We hebben bij Waterloper drie jureerrondes, waarbij de top steeds doorgaat naar de volgende ronde. Wat ik in de loop van de jaren heb gemerkt, is dat er bij veel van de verhalen die in deze eerste ronde stranden, toch wel wat schort op het gebied van taal. Dus als je toch iets wilt doen om het leven van de juryleden makkelijker te maken en hopelijk je kansen op een hogere plaats in de rangorde te vergroten, gebruik dan op zijn minst de spellingscontrole. Ondanks dat hij niet alles eruit haalt, kun je hier toch wel een aantal overduidelijke ticvauten mee voorkomen. Leer verder ook de spellingsregels. Natuurlijk staan die in het groene boekje, maar online heb je ook een hoop hulpmiddelen, zoals op de site van Onze Taal. En laat je verhaal proeflezen. Niet door je moeder, partner of konijn (hoewel je een uitzondering kunt maken voor een hele sexy mier), maar door iemand die niet direct alles fantastisch vindt en je durft te zeggen dat je opening nergens op slaat, het thema ver te zoeken is en je zinstructuur zo’n brei is dat daar zelfs geen foute kersttrui van gebreid kan worden. Kortom, een goede proeflezer.

                Verder valt het me ook vaak op dat verhalen die door de eerste ronde komen maar in de tweede blijven steken, goed geschreven zijn, maar net dátgene missen waardoor ze er echt uit springen. Om echt tot de top door te dringen, is het niet genoeg om een interessante schrijfstijl met goed taalgebruik te hebben, of een interessante plot met een verrassende wending te verzinnen, of om personages op te voeren die met een paar zinnen al levensecht aanvoelen en die een verpletterende ontwikkeling doormaken, of om het door jou gekozen thema op de meest originele en creatieve manier te verwerken: een echte topper moet een jurylid doen vergeten dat die je verhaal eigenlijk ook nog moet beoordelen. Bij een horrorverhaal moet ik ’s nachts niet meer zonder een van mijn zwaarden naar de wc durven gaan. Na het lezen van je sciencefictionverhaal wil ik nog uren nadenken over de mogelijkheden die je hebt geschetst, en de implicaties daarvan tot me laten doordringen. En al tijdens het lezen over je fantasiewereld wil ik mij eigenlijk al zelf erin wanen, mij verliezen in de magie die je schetst. Een verhaal moet kortom pakkend zijn. Ja, het moet technisch goed in orde zijn, maar ik wil ook jouw enthousiasme eraf zien spatten. Ik wil zien dat dit jouw kindje is, dat jij er je ziel en zaligheid in hebt gestopt. Dat je trots op je werk bent. Want als jij trots bent op het werk dat je instuurt, dan ben ik vereerd dat ik het mag lezen. En dat is echt iets om naar uit te kijken.

Ik hoop dat je nu een klein beetje een beeld hebt van wie ik ben, waarom ik al zo lang bij Waterloper en zijn voorganger betrokken ben, en waar ik zo’n beetje op let wanneer mijn hulp wordt ingeroepen en ik jouw verhaal onder ogen krijg. Het belangrijkste is echter dat je een verhaal schrijft en instuurt: wanneer je dat doet, kun je eigenlijk al trots zijn. Veel succes met het schrijven, en hopelijk zie ik jullie straks dan weer bij de uitreiking!

Scroll naar boven